Museum Voorschoten

Museum Voorschoten

In het hart van Voorschoten

Goldberg

Nieuwe aanwinst:

Onderzoeksrapport van Johannes Goldberg

Een landjonker op Berbice

In juni van dit jaar heeft het Museum Voorschoten het “Rapport der Commissie tot het onderzoek van de finantien van Holland, 1797” aangekocht. Johannes Goldberg (1763-1828) is een interessant figuur. Hij is met het verleden van Voorschoten verbonden omdat hij zijn laatste jaren doorbracht op Berbice en daarnaast omdat vooral dit eindrapport hem bekendheid heeft gebracht.

Johannes Goldberg over “de verderflijken stand der finantien”

Goldberg werd in 1763 in Amsterdam geboren als zoon van een makelaar. Hij genoot alleen lager onderwijs, werd op zijn zestiende jaar makelaar en begon in 1793 een eigen assuradeursbedrijf.

Hij was afkomstig uit de gegoede burgerij waardoor voor hem een bestuursfunctie was uitgesloten. Dit kan verklaren dat vanaf het midden van de jaren tachtig Goldberg zich had doen kennen als een overtuigd patriot en tegenstander van hetstadhouderlijk bewind met zijn gesloten bestuurlijke elite.

In 1794 was hij als lid van het Amsterdams revolutionair comité betrokken bij het beramen van een Patriottische opstand. In zijn huis aan de Rozengracht waren daarvoor wapens ondergebracht. De opstand liep op niets uit en Goldberg moest vluchten naar het buitenland. De bevrijding kwam niet vanaf de Rozengracht, maar in januari 1795 vanuit Frankrijk. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden maakte plaats voor de Bataafse Republiek. Het Franse leger liet ons delen in de idealen van de Franse revolutie; verheven en voor die tijd moderne denkbeelden als vrijheid, gelijkheid en broederschap. Idealen die echter ook hun materiële kant hadden en allerminst gratis waren.

Bij de onderhandelingen tijdens het voorjaar van 1795 tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek erkende Frankrijk de zelfstandigheid van de Republiek, maar legde hiervoor een rekening neer van honderd miljoen gulden als schadeloosstelling. Twee maanden later, in juli 1795 werd Goldberg – als overtuigd patriot en gezien zijn grote financiële kennis – door het Provisioneel Bestuur van Holland benoemd in een commissie belast met het onderzoek naar de vraag of het voormalig gewest Holland deze financiële verplichting kon dragen. Omdat volgens Goldberg de andere leden van de commissie “bijna niets presteerden” of  “alleen ‘s morgens even verschenen om de courant te lezen”, werkte hij in feite twee en een half jaar lang in zijn eentje aan het rapport. Hij kwam tot de conclusie dat op dat moment Holland bankroet was. Het was uitgesloten dat Holland, omdat het het leeuwendeel van die 100 miljoen voor zijn rekening moest nemen, deze financiële last kon torsen.

Om twee redenen heeft Goldberg met dit eerste grote werkstuk zijn naam weten te vestigen.

Allereerst: dit rapport was nieuw in zijn soort want het is het eerste rapport dat je statistisch mag noemen. Eerder waren dergelijke rapporten verschenen, maar die hadden een verhalende inslag, waren zeer breedsprakig terwijl cijfers en tabellen ontbraken. Het betoog dat Holland in 1795  bankroet is onderbouwt Goldberg vooral met cijfers en tabellen en met opvallend weinig tekst. Hij is hier zijn tijd vooruit, in de zin dat hij statistische gegevens verzamelt als basis voor economisch en politiek beleid. Daarnaast pleitte Goldberg met dit rapport als een van de eersten voor het invoeren van een nationaal belastingstelsel. Hij zag hierin de oplossing voor het bankroet van 1795. Bij een nationaal belastingstelsel konden de provincies zich niet, zoals voor 1795 de zelfstandige gewesten deden, onttrekken aan hun verplichte bijdragen aan de schatkist, waardoor het rijke gewest Holland steeds moest bijpassen.

Toen Goldberg in 1799 werd benoemd tot Agent –minister- van de Nationale Oeconomie moet hij zich dan ook als een vis in het water hebben gevoeld.

Een landjonker op Berbice

Nadat de Fransen waren vertrokken bood koning Willem I hem in 1815 de post aan van directeur-generaal van het ministerie van Koophandel en Koloniën. In deze functie heeft hij zich o.a. intensief bezig gehouden met de overdracht aan Engeland van de Nederlandse koloniën in de West, waaronder Berbice.

In de Franse tijd bekleedde Goldberg op bestuurlijk gebied steeds invloedrijke posities. In de jaren 1806-1810 was hij lid van de Staatsraad, het adviesorgaan van koning Lodewijk Napoleon.

De kolonie Berbice was eigendom van de in Amsterdam gevestigde Sociëteit van Berbice, waarin de belangen van suikerplanters en hun plantages waren ondergebracht. In 1815 werd Berbice door Nederland overgedragen aan de Engelsen, die dit al in 1796 hadden veroverd. Onder verantwoordelijkheid van Goldbergs ministerie van Koophandel en Koloniën werd een overzicht opgesteld van Nederlandse plantage-eigenaren en hun schadeloosstelling voor de overdracht aan de Britten. Op die lijst stond de naam van Hendrik Staal. Hij woonde in de kolonie Berbice waar hij een plantage met slaven bezat en ook optrad als zaakwaarnemer voor grote plantagehouders en voor de Sociëteit van Berbice als geheel. Het is aannemelijk dat Staal voor Goldberg geen onbekende was.

Rond 1820 keerde Staal om gezondheidsredenen terug naar Nederland en kocht in februari 1822 de hofstede Allemansgeest in Voorschoten. Toen Staal in het voorjaar Allemansgeest betrok heeft hij de buitenplaats onmiddellijk de naam Berbice gegeven. Staal overleed hier in augustus 1824.

In oktober 1826 schreef Goldberg aan koning Willem I: “Thans vermoeid en versleten, verlangt mijn geest naar rust”. De koning verleende hem per 1 januari 1827 eervol ontslag, de dag waarop  de weduwe Staal het buiten Berbice aan Johannes Goldberg zou verhuren. Waarom trok hij zich hier terug?  Hij was tenslotte al sinds 1800 eigenaar van het fraaie Huygenshuis aan het Plein in Den Haag.

Goldberg was een vaardig administrateur en een plichtsgetrouwe uitvoerder maar toch, en dat was hij zich bewust, was hij een man van het tweede plan. Door zijn ijdelheid was hij altijd op zoek naar officiële erkenning. En die kwam toen Willem I hem in 1818 in de adelstand verhief met het predicaat jonkheer. Dit zal voor hem zijn gewenste zelfbeeld hebben bevestigd, namelijk dat van een sociale stijger, de aan een burgerlijk milieu ontstegen landjonker! Zo werd de oude patriot ingelijfd bij de bovenlaag van de oude orde, de standensamenleving van voor de revolutie, waar hij zich in vroeger jaren tegen had gekeerd.

Dat hij de allures aannam van een landjonker blijkt uit een brief die hij in 1827 aan zijn zuster Engelina schreef, kort nadat hij Berbice betrok: ”Ik ben in het midden van mijne landgoederen en omringd van mijne eigene boeren, zes in getal, hetgeen mij tot een ware landjonker maakt”. Maar in werkelijkheid was hij niet meer dan een huurder, want in zijn nadagen was hij in grote financiële moeilijkheden geraakt.

Net als Staal heeft hij kort van het leven op een buitenplaats kunnen genieten. Op het moment dat in Den Haag zijn belangrijke bibliotheek werd geveild overleed hij op vrijdag 25 april 1828 ’s avonds om 10 uur op Berbice door een “subiet toeval”.  Hij werd bijgezet in zijn graf op de begraafplaats “Gedenk te sterven” in Hilversum.

Op de zerk staat alleen de tekst: “Hier ligt begraven een Echt Vaderlander”.

Tekst: Wim van den Eijkel